Herdenking in Vught verstoord
Afgelopen zondag werd bij Nationaal Monument Kamp Vught een herdenking gehouden van de kindertransporten die vanuit Kamp Vught naar vernietigingskamp Sobibor werden georganiseerd in 1943. 1296 kinderen werden gedeporteerd. Rabbijn Jacobs was een van de sprekers de tijdens deze plechtigheid mocht spreken. Tegen het einde van zijn toespraak verstoorden twee autochtone bromfietsers de plechtigheid door langs te rijden en ‘heil Hitler’ te schreeuwen.
Hieronder leest u de toespraak van rabbijn Jacobs.
Enige weken geleden ontmoette ik een overlevende van Auschwitz. Hij had jaartijd en gedacht zijn vader, moeder, broertjes en zusjes. Zij stonden in de linker rij en hij als enige van z’n hele familie in de rechter rij. Hij wilde mee met z’n vader en moeder, maar werd bruut weggerukt en in de rechter rij teruggeplaatst. Ik luisterde naar zijn verhaal:
Als ik dadelijk dit aardse bestaan verlaat, heb ik gewoon geleefd en ben ik gewoon gestorven, vertelt hij mij. Sterven is een natuurlijk onderdeel van het leven. We zijn allemaal terminaal. Maar hun dood was iets bijzonders. Zij zijn als in het harnas gestorven, in het harnas vermoord, omwille van hun Jood-zijn. Dat maakt hun leven en hun dood bijzonder.
Ik moest wel even slikken. De moord op zijn ouders, broertjes en zusjes vergelijken met het sneuvelen op het slagveld? Soldaten die ons hebben bevrijd en gesneuveld zijn, zijn helden. Zij kwamen ons vrijwillig bevrijden. Hoe kan de slacht van Joden met het sneuvelen van onze bevrijders worden vergeleken, gonsde het door mijn hoofd. Maar wie ben ik om deze oude wijze man, overlevende van Auswitz, tegen te spreken!
Maar al peinzend ging ik me toch afvragen of de vergelijking wellicht toch juist is. Want waren de soldaten wel zo vrijwillig? Wilden ze wel naar Europa komen om ons te bevrijden of waren zij vanwege dienstplicht of vanwege een contract ook gedwongen? En hadden ze misschien op het laatst spijt maar konden ze geen kant meer op?
En als wij hen dan als helden beschouwen, terecht, gesneuveld in het harnas, waarom dan niet die Joden op weg naar de gaskamers?
Ik begin een beetje de rationele redenering te volgen van deze overlevende.
Maar dan komt bij mij de twijfel weer boven: misschien wil deze overlevende dit wel zo zien, om de moord iets van waarde achteraf te geven, om hun brute dood die hij niet kan plaatsen niet volledig waardeloos te laten zijn.
En als ik verder in mezelf filosofeer denk ik, neen weet ik, dat hij helemaal gelijk heeft, maar tegelijkertijd wil ik zijn benadering niet aan…
In mij is een controverse ontstaan tussen mijn ratio en mijn emotie. Emotioneel, gevoelsmatig weiger ik ten ene male om de harnastheorie te aanvaarden, mijn gevoel komt ziedend in opstand tegen de vergelijking tussen het slagveld en de gaskamer… maar wie ben ik om deze oude man tegen te spreken. Hij heeft de hel overleefd, niet ik.
Gevoelsmatig kan ik het niet plaatsen en mijn verstand wordt in deze volledig opzij geschoven door de keiharde emotie.
De broers Reb Elimelech van Lisjensk en Reb Zoesje van Niapoli waren op weg naar hun befaamde Rebbe, de Maggied van Mezritz. Onderweg bestudeerden ze de Talmoed en stuitten op de tekst dat een mens verplicht is een lofzegging uit te spreken over een nare tijding even zozeer als over een goede tijding.
G’d danken voor leed, voor pijn, kwelling en kommer? Ze kunnen het niet plaatsen, de twee broers, en aangekomen bij hun beroemde Rebbe leggen ze hem de vraag voor. Maar de Rebbe geeft ze geen antwoord: Deze eenvoudige vraag leggen jullie aan mij voor? Ga naar de synagoge en daar zit Yankele. Laat hem die vraag beantwoorden!
De broers gaan naar de synagoge en treffen daar Yankele. Yankele is een straatarme simpele man. Hij is ziekelijk en heeft niet lang geleden zijn vrouw verloren. Kinderen heeft hij nooit gehad, hij is één brok misère en is tot de bedelstaf gedoemd. Aan hem leggen de broers de vraag voor, op verzoek van de Rebbe, hoe het mogelijk is om een lofzegging uit te spreken over een nare tijding met dezelfde overgave als over een goede tijding.
Yankele luistert naar de voorgelegde vraag en roept verbaasd uit: waarom stuurt de Rebbe jullie naar mij met deze vraag? In mijn leven zie ik uitsluitend voorspoed! Narigheid en misère ben ik G’d zij dank nog nooit tegen gekomen!
Genoeg! Ik kan de gaskamers niet vatten en niet plaatsen! Mag ik het wel proberen te begrijpen als naoorlogse generatie? Wil ik de kindertransporten wel een aanvaardbare plaats geven? Neen, neen, neen! Ik wil het niet kunnen begrijpen.
Wij zijn hier bijeen uitsluitend en alleen om met hen te zijn, met de kinderen van de Kindertransporten. Een keer per jaar. We zien ze nog steeds als kinderen. We willen ze aandacht geven, liefde en we willen de duisternis waarin ze vermoord werden proberen enigszins te verlichten.
Door ze speelgoed te geven, door leeftijdsgenootjes hun namen te laten lezen waardoor ze als het ware klasgenootjes worden van de kinderen van nu, door even een gebed uit te spreken voor hun zielenrust, kadiesj, het gebed voor de doden, door een minuut stilte in acht te nemen, een minuut stilte waarin we niets horen, niets zien en aan niets denken,
[op dit moment werd de plechtigheid doorbroken door twee bromfietsers die 'heil hitler' schreeuwden. Hierop ging rabbijn Jacobs verder:]
een minuut stilte waarin we niets horen van wat er om ons heen wordt geroepen, een minuut stilte die we helemaal alleen aan onze kinderen van de kindertransporten schenken, een minuut waarin we alleen en uitsluitend met hen zijn, net voordat ze vergast worden, om hun eenzaamheid te doorbreken…
achteraf.
Meer artikelen uit deze categorie
Eén reactie op “Herdenking in Vught verstoord” - Reageer ook!
Geef een reactie
-
VORIG ARTIKEL
← Daniël tussen de leeuwen -
VOLGEND ARTIKEL
Isreality op Flevo →
Tja je hebt nou eenmaal sneue mensen